Onderliggende aannames en methodologieën
In deze bijlage geven we toelichting op onderliggende aannames en gebruikte methodologieën van de gerapporteerde maatstaven in het duurzaamheidsverslag.
Klimaatmitigatie
De CO2-uitstoot die verband houdt met de zorginkoop van zorgverzekeraars is voor alle zorgverzekeraars gezamenlijk berekend voor het jaar 2025, hiervoor zijn de zorgkosten van 2024 gebruikt aangezien deze het meest volledig zijn. CZ groep heeft op basis van deze totaalberekening het ‘CZ-aandeel’ bepaald. Dit gebeurt door de CO₂-uitstoot per bestede euro (de uitstootfactor) te koppelen aan onze financiële gegevens per zorgtype. Zo wordt inzichtelijk hoeveel CO₂-uitstoot samenhangt met de verschillende zorguitgaven. De berekeningen zijn gedaan volgens de richtlijnen voor risicoverevening van de basisverzekering. De lasten van 2024, zoals opgenomen in de kwartaalstaat van het 3e kwartaal 2025, zijn de meest complete data. Daardoor rapporteren wij over 2024. De emissiefactoren voor de aanvullende verzekeringen en de Wlz-zorg gefinancierd via het zorgkantoor zijn afgeleid uit de spend-based emissiefactoren van de basisverzekering en op basis van de financiële gegevens gebruikt voor de eigen ramingen (aanvullende verzekering) of financiële gegevens zoals gebruikt voor het verdeelmodel (Wlz). Daarmee is er dus voor deze berekening geen sprake van primaire data.
De berekeningen zijn uitgevoerd conform het GHG‑protocol. Dit betekent dat alle relevante broeikasgassen (waaronder CO₂, CH₄, N₂O, HFK’s, PFK’s, SF₆ en NF₃) zijn meegenomen en dat deze emissies zijn omgerekend naar CO₂‑equivalenten met gebruik van de Global Warming Potential (GWP)-waarden zoals voorgeschreven binnen het GHG‑protocol. Deze GWP‑waarden zijn afkomstig van het IPCC, dat binnen het GHG‑protocol de normerende bron is voor het bepalen van CO₂‑equivalenten van niet‑CO₂‑gassen.
De rekenmethode gevalideerd door Accountancy Platform Zorgverzekeraars (APZ) en inhoudelijk getoetst door PwC en ZN. Door de diversiteit in het zorgveld en de beperkte beschikbaarheid van data moesten we schattingen en aannames gebruiken om onze scope 3-emissies van deze zorginkoop te bepalen. Met de ontwikkelingen van CO2-berekeningen verwachten we onze scope 3 CO2-uitstoot van onze zorginkoopactiviteiten in de toekomst nauwkeuriger te kunnen bepalen en monitoren.
Daarnaast zijn bij de voorbereiding van 2025 twee fouten in de 2024 berekening gecorrigeerd. In onderstaande bijlage is het foutherstel en de methodiek verder toegelicht.
Foutherstel en correctie vergelijkende cijfers
In het kader van de voorbereiding van de emissie-inventaris voor verslagjaar 2025 hebben wij, na vaststelling van het CSRD-verslag 2024, twee fouten vastgesteld in de berekening van onze scope 3 CO2e-emissies uit zorginkoop. Conform ESRS 1 kwalificeren wij deze als fouten over voorgaande perioden. De gecombineerde impact is beoordeeld als materieel voor de gerapporteerde scope 3 emissies, daarom zijn de vergelijkende cijfers over 2024 in dit verslag gecorrigeerd. Hieronder beschrijven wij de aard van de fouten, de correcties en de kwantitatieve impact.
Fout 1: toerekening nationale zorgkosten per zorgsegment
Bij het bepalen van de emissiefactor per euro zorgkosten voor huisartsenzorg en MDZ, verpleging en verzorging, medisch specialistisch zorg, GGZ, GRZ-ELV-GZSP en ziekenvervoer is gewerkt met de formule: totale CO2e-voetafdruk van alle organisaties in het zorgsegment gedeeld door de nationale zorgkosten in dat segment. In 2024 is in de noemer ten onrechte uitsluitend gerekend met door zorgverzekeraars en zorgkantoren bekostigde uitgaven (Zvw, aanvullende vergoedingen en Wlz). Uitgaven uit het sociaal domein (Wmo en Jeugdwet), overheidsuitgaven en eigen betalingen zijn niet meegenomen. Hierdoor was de noemer in de meeste segmenten te laag, de emissiefactor per euro te hoog en daarmee de aan CZ groep toegerekende scope 3 emissies te hoog.
De nationale zorgkosten per segment zijn herijkt zodat alle relevante financieringsbronnen (Zvw, aanvullende vergoedingen Wlz, Wmo, Jeugdwet, overheidsuitgaven en eigen betalingen) consistent zijn meegenomen op basis van publiek beschikbare bronnen (CBS StatLine). Het indicatieve aandeel van uitgaven via zorgverzekeraars/zorgkantoren over 2022 bedroeg circa 97% voor huisartsenzorg en MDZ, 84% voor V&V, 85% voor MSZ, 100% voor GGZ, 77% voor GRZ/ELV/GZSP en 100% voor ziekenvervoer. De emissiefactoren per euro zorgkosten van de door de zorgverzekeraars en zorgkantoren bekostigde uitgaven zijn daardoor neerwaarts bijgesteld. Deze correctie reduceert de gerapporteerde scope 3 emissies uit zorginkoop voor CZ groep met 14,55% (-225,21kton CO2e) ten opzichte van de oorspronkelijk gerapporteerde uitkomst. Deze correctie is als foutherstel retrospectief verwerkt in de vergelijkende cijfers.
Fout 2 en voortschrijdend inzicht: farmaceutische zorg
Bij het bepalen van de emissiefactor op basis van vier farmaceutische bedrijven zijn voor Merck per abuis de cijfers van Merck KGaA (0,373 kg CO2e per euro) gebruikt in plaats van Merck & Co (0,139 kg CO2e per euro). Dit betreft een fout in dataselectie. De emissiefactor is herberekend met de juiste waarde; deze correctie is als foutherstel retrospectief verwerkt in de vergelijkende cijfers. Deze correctie reduceert de gerapporteerde scope 3 emissies uit zorginkoop met 4% 67,06 kton CO2e).
In de vorige rapportage zijn alle kosten voor farmaceutische zorg volledig toegerekend aan de farmaceutische producenten. Op basis van voortschrijdend inzicht hebben wij deze toerekening verfijnd, circa een derde van deze kosten ziet toe op apotheekdienstverlening, die een lagere emissie-intensiteit kent dan de productie van geneesmiddelen. Dit is geen fout maar een wijziging in schatting/toerekening. Ter bevordering van de vergelijkbaarheid is deze methodiekverfijning consequent toegepast op het huidige jaar en de vergelijkende cijfers. Deze schattingswijziging reduceert de gerapporteerde scope 3 emissies uit zorginkoop met 3% (62,44 kton CO2e).
Door de combinatie van foutherstel en de methodiekverfijning daalt de gemiddelde emissiefactor voor farmaceutische zorg met 46,8% van 0,242 naar 0,129 kg CO2e per euro. Deze correctie reduceert de aan farmaceutische zorg toegerekende scope 3-emissies met 130,22 kton CO2e, overeenkomend met 7% van de totale scope 3 emissies uit zorginkoop.
Gecombineerde impact en aangepaste cijfers 2023
Oorspronkelijk gerapporteerd totaal scope 3 (zorginkoop) voor CZ groep: 1827,60 kton CO2e. Totaal correctie (som fout 1 en fout 2): -355,43 kton CO2e (-19,45%). Aangepast totaal scope 3 (zorginkoop) na foutherstel: 1472,16 kton CO2e. Eventuele intensiteitsindicatoren (bijv. kg CO2e per euro zorginkoop en/of per verzekerde) zijn overeenkomstig aangepast. De beschreven fouten betreffen geen wijzigingen in reikwijdte, consolidatiekring of methodiek. Er is geen sprake van een verandering in schatting maar van correctie van onjuiste of onvolledige inputgegevens.
Indien voorgaand jaar als basisjaar voor doelen of paden is gebruikt, zijn de basisjaarwaarden overeenkomstig aangepast; de voortgang ten opzichte van doelen is opnieuw berekend. De aanpassing wijzigt niet de ambitie of het einddoel. Ter voorkoming van herhaling zijn aanvullende interne controles geïmplementeerd, waaronder bron‑ en financieringsstroom‑reconciliatie per zorgsegment, datasteekproeven op externe emissiefactoren en een onafhankelijke review op kritieke aannames.
Jaar-op-jaar ontwikkeling
Naast het foutherstel wordt de jaar-op-jaar ontwikkeling van scope 3 emissies uit zorginkoop vooral bepaald door een verfijning van de methodiek, geactualiseerde brondata per zorgsegment en externe ontwikkelingen zoals demografie, prijsindexatie en veranderingen in onze verzekerdenpopulatie.
Methodiekverfijning: splitsing GGZ in intramuraal en extramuraal
Vanaf verslagjaar 2025 onderscheiden we GGZ‑zorg in intramurale zorg (binnen GGZ‑organisaties) en extramurale zorg (consulten op poli’s en in vrijgevestigde praktijken). Dit sluit beter aan op de beschikbare emissiebenchmarks, die vooral intramurale activiteiten dekken, terwijl circa de helft van de GGZ‑zorgkosten extramuraal is. GGZ intramuraal komt uit op 0,062 kg CO2e per euro. Dat ligt hoger dan vorig jaar door een nauwkeuriger toerekening aan intramurale activiteiten. GGZ extramuraal komt uit op 0,016 kg CO2e per euro, gelijk aan huisartsenzorg en passend bij de aard van de extramurale setting. De totale GGZ‑uitstoot verandert door deze splitsing vooral via een mix‑effect, vorig jaar bedroeg dit voor de volledige GGZ 0,045 kg CO2e per euro. Intramurale emissies stijgen per euro; extramurale dalen per euro. Bij een 50/50‑verdeling is de samengestelde intensiteit indicatief circa 0,040 kg CO2e per euro. De feitelijke impact in onze cijfers wordt bepaald door onze eigen kostenverdeling tussen intra‑ en extramuraal.
Geactualiseerde brondata per segment
De onderliggende data zijn geactualiseerd en waar mogelijk verbeterd, wat tot verschuivingen in emissie‑intensiteiten leidt:
-
Huisartsenzorg bedraagt 0,016 kg CO2e per euro en is nagenoeg gelijk aan vorig jaar (0,015), door gebruik van recentere benchmarkdata (scope 1 en 2), een verbeterde extrapolatie naar sectorniveau (FTE‑inschatting) en een geharmoniseerde benadering voor scope 3 binnen care.
-
Medisch specialistische zorg (MSZ) daalt de intensiteit naar 0,099 kg CO2e per euro (was 0,119). Dit komt door geactualiseerde scope 1‑ en 2‑benchmarks voor ziekenhuizen en een verbeterde scope 3‑schatting op basis van meerdere academische ziekenhuisfootprints.
-
Care‑sector: in plaats van één care‑factor (voorheen 0,045 kg CO2e per euro) hanteren we nu subbranches met eigen emissiefactoren: Verpleging & Verzorging 0,033; Gehandicaptenzorg 0,043; GGZ intramuraal 0,062 kg CO2e per euro. De som over de care‑subbranches verandert weinig, maar de verdeling tussen subbranches is realistischer en sluit beter aan op de feitelijke activiteiten. De uiteindelijk impact wordt bepaald door de financiële omvang en mix-effecten binnen de eigen portefeuille.
Demografie, prijsindexatie en verzekerdenpopulatie
Onze emissiefactoren zijn spend‑based (kg CO2e per euro). Absolute emissies bewegen mee met nominale uitgaven en met volume‑ en mix‑effecten. Daarbij geldt dat sommige drijfveren vooral landelijk zijn, terwijl andere zowel landelijk als zorgverzekeraarspecifiek doorwerken.
-
Prijsindexatie: grotendeels een landelijke factor (CPO en sectorspecifieke prijsontwikkelingen, inclusief landelijke tariefaanpassingen), met beperkte verzekeraarsspecifieke variatie door inkoopresultaten en contractafspraken. Voor een goede vergelijking over jaren herleiden we uitgaven naar constante euro’s. Zonder indexatie kunnen emissies stijgen louter door inflatie.
-
Demografie en zorgvraag: deels landelijk (vergrijzing, epidemiologische trends) en deels verzekeraarsspecifiek (portefeuille-samenstelling, regionale spreiding, contractmix). Deze verschuivingen kunnen uitgaven bewegen richting segmenten met hogere emissie‑intensiteit (bijv. MSZ en GGZ intramuraal), wat het totaal per uitgegeven euro kan beïnvloeden.
-
Verzekerdenpopulatie: groei of krimp van het aantal verzekerden werkt primair verzekeraarsspecifiek door in absolute emissies, uiteraard hangt de impact af van de zorgvraag van de groep die beweegt. Verschuivingen die vooral zware zorgvragers betreffen hebben een groter effect, zeker wanneer die zorgvraag zich concentreert in segmenten met hogere emissie-intensiteit.
Methodologische uitgangspunten en transparantie
Onze berekening van CO2-emissies gerelateerd aan zorginkoop omvat zowel gecontracteerde als ongecontracteerde zorg binnen de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, tandartsverzekeringen en aanvullende verzekeringen. Gezien de huidige onzekerheid rond scope 3-emissies werken wij in de komende periode, samen met onze waardeketen, gericht aan het verminderen van die onzekerheid door betere datadekking, validatie en uniforme toepassing van de methodiek. Voor scope 3 zorginkoop berekenen wij per zorgsoort de emissies door spend-based emissiefactor te vermenigvuldigen met de uitgaven uit de basisverzekering, aanvullende verzekering en Wlz-zorg. Voor deze uitgaven gebruiken wij de financiële gegevens uit de risicovereveninggegevens (basisverzekering), interne ramingen (aanvullende gegevens) en het verdeelmodel (Wlz). Per zorgsoort is één uniforme emissiefactor voor alle financieringsvormen gehanteerd, de emissies per financieringsvorm verschillen uitsluitend door de hoogte en samenstelling van de uitgaven.
Tegen deze achtergrond is het opstellen van een robuust, kwantitatief reductiedoel specifiek voor scope 3 zorginkoop op dit moment lastig: emissiefactoren zijn spend-based en bewegen mee met inflatie en volumemix, methodische verfijningen (zoals de opsplitsing van subbranches) kunnen de uitkomsten beïnvloeden en de beschikbaarheid van primaire scope 3-data in de zorgsector ontwikkelt zich nog. Een sectorbreed reductiedoel voor de volledige CO2-emissie van de gehele zorg (alle zorg binnen de zorgverzekeringen en de langdurige zorg) is bovendien nog niet vastgesteld, omdat een landelijke, volledige CO2-emissieberekening ontbreekt. Totdat de datagrondslag verder is versterkt, richten wij ons daarom primair op het verbeteren van de nauwkeurigheid en herleidbaarheid van de cijfers, het tonen van zowel absolute emissies als intensiteiten, en het periodiek actualiseren van de emissiefactoren; zodra de betrouwbaarheid toeneemt, zullen wij een passend, kwantitatief doel voor scope 3 zorginkoop formuleren.
Emissiefactoren en categoriebepaling
Emissiefactoren zijn vastgesteld via drie methoden, afhankelijk van de beschikbaarheid en kwaliteit van data:
-
Op basis van nationale zorgkosten en sectorfootprints voor huisartsenzorg en MDZ, verpleging en verzorging (V&V), intramurale geestelijke gezondheidszorg (GGZ), GRZ/ELV/GZSP, medisch specialistisch zorg (MSZ) en ziekenvervoer. Deze methode wordt toegepast wanneer zowel een algemene footprint als omzetcijfers van de zorgsector beschikbaar zijn en sluit aan bij de PCAF-standaard; de omzetcijfers zijn gecorrigeerd voor het aandeel dat via de zorgverzekeraars en zorgkantoren (Zvw en Wlz) wordt betaald, op basis van financieringsstromen uit CBS StatLine. Voor huisartsenzorg en MDZ zijn de scope 1- en 2-emissies ontleend aan de Milieubarometer benchmark Huisartsenpraktijken (gemiddelde uitstoot per FTE) en geëxtrapoleerd naar de hele sector met NIVEL-data; omdat scope 3 daar nog niet beschikbaar is, is een multiplier van 2,0 (2023: 2,3) toegepast (afgeleid uit care en gecorrigeerd voor het deel voeding). Voor V&V, GGZ intramuraal en GRZ/ELV/GZSP is, bij gebrek aan beschikbare scope 3-cijfers, een multiplier van 2,5 (2023: 2,3) gebruikt, gebaseerd op gepubliceerde footprints (inclusief scope 3) van tien (2023: twee) care-organisaties. Voor MSZ is, op basis van gepubliceerde footprints van vier academische ziekenhuizen, een multiplier van 3,7 (2023: 3,8) gehanteerd. Ziekenvervoer is bepaald op basis van het Sectorkompas ambulancezorg 2024, aangevuld met informatie van RAV Hollands Midden en eigen berekeningen. Specifiek voor de GGZ geldt een belangrijke beperking: de zorgkosten van verzekeraars zijn voor de intramurale GGZ niet gecorrigeerd naar nationale kosten, en op basis van de geanalyseerde GGZ-locaties kunnen we niet onderbouwen welk deel van de geschatte footprint toe te schrijven is aan zorg gefinancierd via de Wmo, de Jeugdwet en de forensische zorg. De uitkomst voor GGZ-intramuraal is daardoor naar verwachting een overschatting van de emissies die de zorgverzekeraars/zorgkantoren kunnen worden toegerekend; dit wordt in toekomstige updates aangescherpt zodra betere data beschikbaar zijn. Ter duiding van de financiële reikwijdte bedraagt het indicatieve aandeel van uitgaven via zorgverzekeraars/zorgkantoren circa 96% voor huisartsenzorg en MDZ, 84% voor V&V, 100% voor GGZ intramuraal, 74% voor GRZ/ELV/GZSP, 83% voor MSZ en 100% voor ziekenvervoer.
-
Op basis van gegevens van individuele bedrijven voor farmaceutische zorg. Per bedrijf wordt de totale footprint gedeeld door de omzet om de emissie-intensiteit (kg CO2e per euro) te bepalen, waarna het (niet-gewogen) gemiddelde wordt genomen over acht (2023: vier) aan Nederlands apotheken leverende farmaceutische producenten.
-
Op basis van onderbouwde schattingen en externe databases voor zorgsoorten waar (nog) onvoldoende primaire data beschikbaar zijn. Mondzorg is qua emissieprofiel gelijkgesteld aan MSZ, terwijl verloskunde en paramedische zorg en GGZ-extramuraal zijn gelijkgesteld aan huisartsenzorg en MDZ. Voor hulpmiddelen en kraamzorg is gebruikgemaakt van DEFRA 2022-kengetallen (“therapeutic appliances and equipment” respectievelijk “domestic services and household services”), omgerekend naar euro’s prijspeil 2024. Voor diverse overige zorgkosten, inclusief grensoverschrijdende zorg, is een gewogen gemiddeld van emissiefactoren uit alle zorgsoorten toegepast.
De emissie per zorgsoort is berekend op basis van de geraamde zorgkosten over 2024 die zorgverzekeraars periodiek aanleveren aan het zorginstituut. Alle emissiefactoren zijn spendbased (kg CO2e per inkoopeuro) en zijn, afhankelijk van de datatoegankelijkheid per segment, op drie manieren vastgesteld; in alle gevallen wordt uitgegaan van financiële gegevens omdat een andere generieke eenheid voor het samenvatten van ingekochte zorg op dit moment niet praktisch toepasbaar is. De factoren zijn uitsluitend geldig voor 2024; toepassing in andere jaren vereist indexatie (bijvoorbeeld met de CPI-jaarmutatie of, waar beschikbaar, segmentspecifieke zorginflatie).
Er bestaat aanzienlijke onzekerheid in de scope 3‑emissiefactoren. Dit hangt samen met de beperkte beschikbaarheid van uitgebreide scope 3‑footprints in de sector en het gebruik van multipliers. Om deze onzekerheid te verminderen, zetten we in op: het vergroten van het aantal primaire footprintmetingen in de zorg, het verfijnen van de multipliers per subsector, het verbeteren van reconciliatie tussen footprint en financieringsstromen en het periodiek actualiseren van de sectorbenchmarks.
Voor de emissie van de zorginkoop rapporteren wij onder scope 3 categorie 1 (Ingekochte goederen en diensten). Dit weerspiegelt dat zorgverzekeraars gezondheidszorg inkopen, waarbij zij enigszins invloed kunnen uitoefenen op de dienstverlenende partijen via inkoopbeleid en contractvoorwaarden.
Gebruikte protocollen en standaarden
Voor het berekenen van de scope 3 emissies van het zorgveld zijn de eisen van de CSRD en de methodiek van het GHG-protocol (Protocol Corporate Value Chain (Scope 3) Accounting and Reporting Standard (versie 2011)) gebruikt. Ook sluit de berekeningsmethodiek zoals hieronder toegelicht aan bij de GHG Accounting and Reporting Standard for the Financial Industry from the Partnership for Carbon Accounting Financial (PCAF).
Biogene emissies
Bij zorgorganisaties zijn directe en indirecte biogene CO2-emissies geïdentificeerd. Directe biogene emissies komen vrij bij verbranding van biodiesel in voertuigen van zorgorganisaties. Indirecte biogene emissies komen vrij in de productieketen van ingekochte voeding, bij verbranding van biodiesel in voertuigen van leveranciers en bij de productie van elektriciteit op basis van biomassa. Biogene CO2-emissies worden heden nog niet goed gemeten en er zijn nog geen biogene emissiefactoren beschikbaar. De directe biogene emissies waar de zorgorganisatie de meeste invloed op hebben zijn klein ten opzichte van de fossiele CO2-emissies van zorgorganisaties.
Andere broeikasgassen dan CO2 in de zorgsector betreffen anesthesiegassen en (in veel mindere mate) koudemiddelen. De impact hiervan is meegenomen in de scope 3 CO2-factoren van zorginkoop, maar niet apart benoemd omdat het aandeel kleiner is dan 0,5% binnen de footprint van een ziekenhuis. Fossiele emissies van CO2 in productieketens van biomassa (zoals van ingekochte biodiesel) door zorgorganisaties zijn meegenomen in de CO2-factoren van zorginkoop.
GHG-intensiteit
De GHG-intensiteit is berekend door de CO2-uitstoot van CZ groep te delen door de netto-opbrengsten, zoals vermeld in de winst- en verliesrekening.
Eigen personeel
Voor eigen personeel zijn verschillende maatstaven opgenomen in het verslag. Deels zijn deze voorgeschreven door de ESRS, deels zijn deze entiteitspecifiek. Een deel van deze maatstaven is niet gevalideerd door een externe partij. Waar dit wel van toepassing is, is dit beschreven in de tekst.
Aantal medewerkers
Onder eigen personeel verstaan wij alle medewerkers met een loondienstverband (voor bepaalde of onbepaalde tijd) en alle (externe) medewerkers die tijdelijk ingehuurd worden, waaronder ook oproepkrachten. We gebruiken bij deze berekening het aantal medewerkers op 31 december van het verslagjaar en maken we onderscheid in drie categorieën medewerkers:
-
Vaste medewerkers: medewerkers met een loondienstverband voor onbepaalde tijd;
-
Tijdelijke medewerkers: medewerkers met een loondienstverband voor bepaalde tijd en ingehuurde professionals;
-
Oproepkrachten: ingehuurde medewerkers zonder urenafspraak, ofwel uitzendkrachten.
Personeelsverloop
Voor het personeelsverloop kijken we naar het aantal medewerkers dat CZ groep in 2025 heeft verlaten als gevolg van het bereiken van de pensioenleeftijd, overlijden, vertrek op initiatief van de medewerker en vertrek op initiatief van CZ groep. Het betreft hier alleen medewerkers die een loondienstverband bij CZ groep hadden.
Voor het berekenen van het personeelsverloop hebben we het aantal vertrokken medewerkers over heel 2025 gedeeld door het totaal aantal medewerkers op 31 december van het verslagjaar.
Verdeling medewerkers naar gender
De genderverdeling van Raad van Commissarissen, Bestuursteam en senior management is gedaan op 31 december van het verslagjaar en hierbij zijn alleen medewerkers in loondienst bij CZ groep gerapporteerd. Er zijn geen registraties ‘onbekend’ of ‘niet vermeld’ op gender.
In verband met het vertrek van één van de leden van de Raad van Commissarissen in 2024, waarvan de opvolging in 2025 is gestart, bestond de RvC op peildatum 31 december 2024 uit vier leden. In 2025 is dat weer op het gewenste niveau, namelijk vijf leden.
Onder senior management verstaan wij de managers en leidinggevenden in het niveau onder het Bestuursteam en senior managers in het tweede niveau onder het Bestuursteam.
Verdeling medewerkers naar leeftijd
De verdeling van medewerkers naar leeftijd is uitgevoerd op peildatum 31 december van het verslagjaar. Het betreft hier alleen medewerkers die in loondienst zijn bij CZ groep. Uitzendkrachten en ingehuurde professionals zijn in dit overzicht niet meegenomen.
Opleiding & ontwikkeling
CZ groep meet doorlopend de impact van de L&D inspanningen door middel van evaluaties en effectmetingen. Iedere twee jaar wordt via het medewerkersbetrokkenheidsonderzoek (MBO) dat uitgevoerd wordt door Innervoice, een externe partner gespecialiseerd in organisatieonderzoek, de tevredenheid en impact uitgevraagd. In het MBO worden vragen gesteld over werkplezier, vrijheid, ontwikkelmogelijkheden, leiderschap, feedback, waardering, het verandertraject, fit gesprekken, doorstroom en uitstroom. De resultaten worden geanalyseerd op organisatie- en teamniveau.
Significante aannames:
-
Medewerkers geven hun ervaring eerlijk weer;
-
De nulmeting vormt een betrouwbare basislijn;
-
Medewerkerservaring (tevredenheid en voornemen tot toepassen) zijn indicatoren voor impact. Ze voorspellen leerrendement, zoals in de ROI-methodiek van Jack en Patty Philips beschreven.
Maatregelen tegen geweld en intimidatie
Het MBO van CZ groep wordt uitgevoerd en geanalyseerd door Innervoice, een externe partner gespecialiseerd in organisatieonderzoek. De maatstaf voor de meting – bestaande uit stellingen over sociale onveiligheid – is door Innervoice gevalideerd als een geschikt instrument om medewerkerservaringen betrouwbaar te meten. Deze validatie is onafhankelijk van de assurance provider en waarborgt dat de gebruikte methodologie aansluit bij gangbare standaarden voor sociale impactmeting
Significante aannames:
-
Medewerkers geven hun ervaring eerlijk weer;
-
Stellingen representeren de beleving van D&I;
-
De nulmeting vormt een betrouwbare basislijn;
-
Medewerkerservaring wordt gezien als indirecte indicator voor beleidsimpact.
Incidenten, klachten en ernstige impacts op het gebied van mensenrechten
In 2025 zijn er drie kanalen waarlangs meldingen gedaan kunnen worden door medewerkers van CZ groep. Dit zijn de interne vertrouwenspersoon, externe vertrouwenspersoon en het ‘dit is niet oké’-meldpunt. In 2024 rapporteerden wij ook over het contact met HR en de klachtencommissie. Deze kanalen zijn beide opgenomen in het ‘dit is niet oké’-meldpunt. Het aantal meldingen dat in 2024 is gedaan via deze twee aparte kanalen, is daarom opgeteld in de rij van het ‘dit is niet oke’ meldpunt.
In de tabel rapporteren wij de ontvankelijke meldingen die gedaan zijn door medewerkers. Deze meldingen vallen uiteen in drie categorieën, namelijk meldingen op het gebied van discriminatie, meldingen op het gebied van intimidatie (waaronder intimidatie, seksuele intimidatie, fysieke en niet fysieke agressie) en overige ontvankelijke meldingen (waaronder pesten).
Mensen met een arbeidsuitdaging
Voor het percentage medewerkers met een arbeidsuitdaging wordt het aantal medewerkers dat geregistreerd staat in de UWV werkgeversportal op 31 december van het verslagjaar gedeeld door het totaal aantal medewerkers dat werkzaam is bij CZ groep. Het betreft het hier alleen medewerkers in loondienst. In de UWV werkgeversportal wordt er uitgegaan van registratie in de participatiewet/ wajong registers.
Beloningsmaatstaven
Binnen beloningsmaatstaven rapporteren we op 2 verschillende indicatoren:
-
Beloningsverschil tussen mannen en vrouwen: het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen wordt omschreven als het verschil tussen de gemiddelde beloning van vrouwelijke medewerkers en mannelijke medewerkers, uitgedrukt als een percentage van het gemiddelde beloningsniveau van mannelijke medewerkers. De berekening is gedaan op totaalniveau over alle medewerkers, als per salarisschaal.
-
Pay ratio: de pay ratio is de verhouding tussen de jaarlijkse totale beloning van de best betaalde persoon en de mediane jaarlijkse totale beloning van alle medewerkers.
Voor beide berekeningen zijn onderstaande methodologieën van toepassing:
-
Voor beide berekeningen is uitgegaan van het bruto uurloon inclusief eindejaarsuitkering, vakantiegeld, salarisgarantietoeslag (en -afbouw), cao-toeslag, Doorlopende LoonGarantie-toeslag en leasevoordelen. We hebben hiervoor gekozen omdat dit het uurloon de basis is voor het pensioen en de meest zuivere vergelijking geeft.
-
Voor het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen hebben we de formule gebruikt waarbij we het gemiddeld bruto-uurloon voor mannelijke werknemers minus het gemiddeld bruto-uurloon van vrouwelijke werknemers gedeeld wordt door het gemiddeld bruto uurloon van mannelijke werknemers, maal 100. Deze formule hebben we op totaalniveau toegepast en per salarisschaal en daarover het gemiddelde genomen. Het verschil tussen de twee uitkomsten is verklaarbaar doordat de verdeling van mannen en vrouwen in de verschillende salarisschalen niet gelijk verdeeld is.
-
Voor de berekening van de pay ratio hebben we gebruik gemaakt van de formule waarbij we het bruto uurloon van de persoon met hoogste salaris in de onderneming hebben gedeeld door de mediaan van het bruto uurloon van alle andere werknemers.
-
Deze maatstaven zijn niet door externe instanties gevalideerd anders dan dat deze voorgeschreven zijn vanuit de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD).
Medewerkers in de waardeketen
Voor de berekening van de maatstaf ‘ervaren werkdruk’ is gebruik gemaakt de AZW-monitor van het CBS. De berekening volgt een systematische aanpak om trends in werkdruk en administratieve belasting binnen de branche Zorg en Welzijn (smal) inzichtelijk te maken. De volgende stappen dienen doorlopen te worden om de betreffende data te raadplegen.
Relevante data voor ervaren werkdruk:
-
Ga naar de Statline van de AZW-monitor van het CBS via de volgende link: https://azwstatline.cbs.nl/#/AZW/nl/navigatieScherm/thema
-
Kies voor het thema ‘Arbeidsomstandigheden’, en hierna ‘Werknemers, tevredenheid en psychosociale belasting’.
-
Vink bij de AZW-branches ook het ‘totaal’ aan.
-
Onder subkop ‘Werkdruk – (Veel) te hoog’ is de ervaren werkdruk te vinden.
-
Verzamel de data over ervaren werkdruk (stap 1) voor alle kwarta
Relevante data voor administratietijd:
-
Ga naar de Statline van de AZW-monitor van het CBS via de volgende link: https://azwstatline.cbs.nl/#/AZW/nl/navigatieScherm/thema
-
Kies voor het thema ‘AZW-panels’, en hierna ‘Werknemers’, en ‘Werknemers – tijdsbesteding werkzaamheden.
-
Zorg ervoor dat bij de AZW-branches het ‘totaal’ is aangevinkt.
-
Kies in het thema ‘Cliëntgebonden’ voor ‘cliëntgebonden beroep’.
-
In de kolommen ‘Verslaglegging over verlening van zorg’ en ‘registreren informatie voor organisatie’ is de adminstratietijd voor de cliëntgebonden beroepen te vinden
-
Verzamel de data over administratietijd (stap 2) voor alle kwartalen in de jaren 2024-heden, voor de AZW-branche ‘Zorg en Welzijn – smal’.
Er is gekozen voor de zorgsector ‘zorg en welzijn (smal)’, volgens de definitie van het CBS: “Totaal Arbeidsmarkt, zorg en welzijn zonder kinderopvang. Dit is een samentelling van de branches in het project Arbeidsmarkt, zorg en welzijn (AZW) die samen het terrein van de zorg en welzijn beschrijven zonder de branche kinderopvang”. Onder deze totaalcategorie vallen tevens sectoren die niet onder de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar vallen, zoals Jeugdzorg en zorg vanuit het sociaal domein (Wmo). In de Monitor zijn de cijfers per sector beschikbaar. Desalniettemin is er gekozen om deze hoofdcategorie ‘Zorg en Welzijn (smal)’ weer te geven zoals samengesteld door het CBS, en dus niet zelf een andere categorie samen te stellen voor de zorgverzekeraars. De totaalcategorie van het CBS is preferent omdat deze door de tijd goed te volgen is en de weging van groepen in de respons niet geheel inzichtelijk is.
Verder is er gekozen voor cliëntgebonden beroepen, wat volgens de definitie van het CBS is: “Een beroep is cliëntgebonden als men werkzaam is in de directe zorg, ondersteuning of begeleiding van patiënten/cliënten/kinderen”.
De data voor beide indicatoren wordt verzameld per kwartaal vanaf 2024 tot heden, voor dezelfde branche. Voor elk kwartaal worden de percentages van beide administratieve activiteiten opgeteld. Dit geeft een totaalpercentage administratietijd voor cliëntgebonden beroepen. De kwartalen Q2 en Q4 worden meegenomen in de rapportage.
De steekproefgrootte wordt gepubliceerd in de onderzoeksbeschrijving (beschikbaar via de AZW-Monitor), maar het aantal waarnemingen per vraag niet. De weergegeven cijfers zijn daarnaast gewogen: er wordt gecorrigeerd voor onder- en oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de respons.
Dataverzameling ervaren werkdruk
De brongegevens zijn afkomstig uit StatLine van de AZW-Monitor binnen het thema Arbeidsomstandigheden is de subcategorie Werknemers, tevredenheid en psychosociale belasting geselecteerd. De indicator Werkdruk – (Veel) te hoog wordt gebruikt als maat voor ervaren werkdruk. Data wordt verzameld per kwartaal vanaf 2024 tot heden, voor de branche Zorg en Welzijn – smal.
Dataverzameling administratietijd
De brongegevens komen uit StatLine, thema AZW-panels, hierna werknemers en werknemers - tijdsbesteding werkzaamheden. Hierbij worden alle branches meegenomen en wordt er gekozen voor het thema ‘cliëntgebonden beroep’. Hier worden twee kolommen gebruikt, namelijk ‘Verslaglegging over verlening van zorg’ en ‘Registreren informatie voor organisatie’. Deze worden bij elkaar opgeteld.
-
Verslaglegging over verlening van zorg: “de hoeveelheid tijd die werknemers in zorg en welzijn gemiddeld per week besteden aan het vastleggen van de zorg die ze verlenen of de ondersteuning die ze geven aan patiënten/cliënten/kinderen. Het gaat hierbij om de tijd als percentage van de totale werktijd per week.”
-
Registreren informatie voor organisatie: “de hoeveelheid tijd die werknemers in de zorg en welzijn gemiddeld per week besteden aan het registreren van informatie voor hun organisatie, management en of beleid. Het gaat hierbij om de tijd als percentage van de totale werktijd per week.”
Berekening ontwikkeling ervaren werkdruk
De ontwikkeling wordt uitgedrukt in procentpunten. Voor elk kwartaal wordt het verschil berekend ten opzichte van de voorgaande meting: ontwikkeling= Werkdruk t – Werkdruk t−1
Aannames
-
Betrouwbaarheid: de CBS-data worden verondersteld representatief te zijn voor de gehele branche Zorg en Welzijn – smal.
-
Consistentie van definities: De definities van werkdruk en administratietijd blijven gedurende de meetperiode gelijk.
-
Lineaire interpretatie: de ontwikkeling in werkdruk wordt geïnterpreteerd als een lineaire verandering in procentpunten, zonder correctie voor seizoenseffecten.
-
Geen weging naar functiegroepen: alle cliëntgebonden beroepen worden gelijk behandeld; er is geen differentiatie naar functie of instellingstype.
-
Totaal AZW-branche als referentie: bij het ophalen van data wordt steeds het totaal van de AZW-branche aangevinkt om consistentie te waarborgen.
Toegang tot zorgverzekeringen
De klanttevredenheid wordt gemeten door het gemiddelde te nemen op de volgende vraag die wij aan onze klanten stellen: ‘Hoe beoordeelt u het kanaal?’. Voor de kanalen telefonie en livechat geven klanten hierbij een rapportcijfer tussen 1 en 10, waarbij 1 als de klant zeer ontevreden is en 10 als de klant zeer tevreden is. Voor de tevredenheid voor de app en mijnCZ wordt uitgevraagd op een vijfpuntschaal die wij intern terugrekenen naar een tienpuntsschaal. De CSAT meten wij intern en wordt niet door een externe partij gevalideerd.
De CSAT-score wordt hier genoemd als een meetinstrument voor tevredenheid na specifieke interacties.
De klanttevredenheid meten we voor de merken CZ (inclusief CZdirect). We nemen de zorgverzekeringen van Nationale Nederlanden en OHRA niet mee in onze scores. CZ groep voert alleen de zorgverzekeringen voor hen uit, maar Nationale Nederlanden bieden een breder verzekeringsaanbod dan alleen zorgverzekeringen. Verder is voor de klanttevredenheid alleen de score van CZ meegenomen. Just laten we buiten beschouwing gezien we hier geen formele doelstelling op hebben gedefinieerd.
In 2024 is ook de NPS gebruikt als doel voor het meten van de klantloyaliteit. In 2025 is besloten dat we niet meer sturen op NPS, maar op CSAT voor het meten van een goede dienstverlening.
Toegang tot zorg
Er zijn twee maatstaven bepaald om de toegankelijkheid van de zorg te meten:
-
Landelijk percentage ingeschreven verzekerden bij een huisarts. De openbare cijfers van Vektis worden gehanteerd. Op deze cijfers is een correctie voor patiënten met Wlz-instellingszorg toegepast.
-
Percentage geplaatste cliënten in Wlz-leveringsvorm. Er wordt gebruik gemaakt van de data die zorgkantoren aanleveren bij het Zorginstituut Nederland (ZiNL) en door het ZiNL maandelijks openbaar wordt gepubliceerd op het niveau van individuele zorgkantoren.
Percentage ingeschreven verzekerden bij een huisarts
De maatstaf ‘percentage ingeschreven verzekerden bij een huisarts’ wordt berekend door het aantal verzekerden van CZ groep met een gedeclareerd inschrijftarief (gecorrigeerd voor de Wlz ingeschrevenen) bij een huisartsenpraktijk in Nederland op een specifiek peilmoment, te delen door het totaal aantal te verzekeren personen woonachtig in Nederland op 1 juli van het peiljaar.
De definitie is opgesteld conform de berekeningsmethode die Vektis gebruikt in haar dashboard. De berekening door Vektis vindt over één jaar plaats, waardoor tussentijdse rapportages niet relevant zijn. Het Vektis-dashboard toont het aantal verzekerden dat niet is ingeschreven bij een huisarts. Voor zorgverzekeraars is het echter belangrijk om juist hun positieve impact zichtbaar te maken: namelijk het aandeel verzekerden dat wél toegang heeft tot huisartsenzorg. Het aandeel verzekerden die wél ingeschreven zijn bij de huisarts is een direct afgeleide hiervan en geeft het tegengestelde weer.
De gebruikte bron voor dit percentage: https://www.vektis.nl/huisartsenzorg/dashboard/niet-ingeschrevenen. Peildatum 10-11-2025
Correctie Wlz-ingeschrevenen
Voor inwoners van Nederland die zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) ontvangen met een zorgzwaartepakket ‘instellingszorg met behandeling’, wordt geen inschrijftarief voor een huisartsenpraktijk betaald, omdat deze groep doorgaans geen huisarts nodig heeft omdat zij onder de verantwoordelijkheid van een instelling (bijvoorbeeld specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijke gehandicapten) vallen. Hierdoor ontstaat een overschatting van het aantal verzekerden dat daadwerkelijk geen toegang heeft tot een huisarts: een deel van de populatie wordt wel als ‘niet-ingeschreven’ geregistreerd, maar heeft in de praktijk geen behoefte aan huisartsenzorg. Dit betekent dat de maatstaf, na correctie, een nauwkeuriger beeld geeft van het aandeel verzekerden zonder huisarts.
Percentage geplaatste cliënten in Wlz-leveringsvorm
De maatstaf ‘geplaatste cliënten in Wlz-leveringsvorm’ geeft het gemiddelde percentage geplaatste cliënten ten opzichte van het totaal aantal cliënten met een CIZ-indicatie weer over een periode van 12 maanden (van 1 oktober voorgaand jaar t/m 30 september van het rapportagejaar), samengenomen voor de sectoren Verpleging & Verzorging
(V&V), Gehandicaptenzorg (GHZ), en Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ). De geplaatste cliënten staan dus niet op een wachtlijst met een status ‘urgent’, ‘actief’, of ‘wacht op voorkeur’.
Het percentage geplaatste cliënten in een Wlz-leveringsvorm volgt de rekenregels van het ZINL voor het bepalen van de cliënten die op een wachtlijst staan. Hieronder volgt een beknopte toelichting welke cliënten wanneer op de wachtlijst door het zorgkantoor worden geplaatst— informatie die vervolgens wordt doorgegeven aan het ZINL.
De rekenregels zijn opgesteld door het Zorginstituut om op een eenduidige en transparante manier wachtlijsten voor de Wet langdurige zorg (Wlz) te registreren en te rapporteren. Dit is essentieel voor het monitoren van de maximale termijnen en het verbeteren van de zorgvoorziening.
De gebruikte bron voor deze data: https://www.zorgcijfersdatabank.nl/toelichting/wachtlijstinformatie/wachtlijstinformatie-wlz. Peildatum: 11-11-2025.
Belangrijke begrippen
-
Wachtlijst: lijst van personen die een indicatie Wlz hebben ontvangen en wachten op het starten van de zorg.
-
Startdatum zorg: de datum waarop de daadwerkelijke levering van zorg begint.
-
Indicatiebesluit: besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat recht op zorg onder de Wlz vaststelt.
-
Maximale wachttijd: wettelijke termijn waarbinnen de zorg gestart moet zijn, afhankelijk van het type zorg.
Registratie van wachtenden
Wachtenden worden geregistreerd vanaf het moment dat zij een definitief indicatiebesluit hebben ontvangen totdat de zorg daadwerkelijk start. Alleen indicaties met een zorgzwaartepakket (ZZP) voor verblijf, verblijf met behandeling, of extramurale zorg worden meegenomen (afhankelijk van de betreffende zorgsoort).
Speciale regels
Voor gecombineerde zorgvormen (bv. zorg met behandeling) worden aparte regels gehanteerd. Wachtduur wordt niet meer doorgeteld bij tijdelijke onderbrekingen of wanneer de cliënt tijdelijk niet beschikbaar is. Bij wijziging van indicatie of zorgzwaartepakket wordt de wachtlijstbehandeling opnieuw beoordeeld.
Rapportage en verantwoording
Wachtlijsten worden periodiek aangeleverd aan het Zorginstituut Nederland. Zorgaanbieders moeten zorgen voor volledige, tijdige en juiste registratie. De gegevens worden gebruikt voor landelijke monitoring en het opstellen van rapportages over wachtlijstsituaties.
Het percentage geplaatste cliënten in Wlz-leveringsvorm is een afgeleide van het percentage cliënten op de wachtlijst.
Totale populatie
Het totaal aantal cliënten met een Wlz-indicatie (CIZ-indicatie) met een zorgzwaartepakket (ZZP) voor verblijf, verblijf met behandeling, of extramurale zorg binnen de sectoren Verpleging en Verzorging (V&V), Gehandicaptenzorg (GZ) en Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ).
Percentage geplaatste cliënten in Wlz-leveringsvorm
Het percentage cliënten met een Wlz indicatie (CIZ-indicatie) met een zorgzwaartepakket (ZZP) voor verblijf, verblijf met behandeling binnen de sectoren Verpleging en Verzorging (V&V), Gehandicaptenzorg (GZ) en Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ), dat niet op de wachtlijst staat. Het is mogelijk dat deze cliënten Wlz-zorg in een andere leveringsvorm ontvangen.
Percentage cliënten op wachtlijst
Het percentage geplaatste cliënten in een Wlz-leveringsvorm wordt gemiddeld voor 12 maanden weergegeven. Omdat de publicatie van de wachtlijstinformatie qua timing niet geheel aansluit bij het rapportageproces van de zorgverzekeraars, is gekozen voor de periode van 1 oktober van het voorgaande jaar tot en met 30 september van het daaropvolgende jaar. Zorgverzekeraars kunnen in hun rapportageproces niet wachten op de definitieve cijfers over december, omdat deze pas later in het opvolgende jaar beschikbaar komen. Daarom is ervoor gekozen om een periode van twaalf maanden te hanteren die niet samenvalt met het kalenderjaar, maar loopt van oktober tot en met september. Dit alternatief maakt tijdige rapportage mogelijk, terwijl het gemiddelde over 12 maanden bovendien zorgt voor een stabiel en representatief beeld door maandelijkse fluctuaties in de wachtlijstinformatie af te vlakken. Daarnaast wordt zo de gebruikelijke toename van de instroom in intramurale Wlz-zorg in de laatste maanden van het jaar goed meegenomen. Hiermee bieden de rapportages een betrouwbare en praktische basis voor analyse en besluitvorming.
Omdat dit het eerste jaar van rapportage van de maatstaven betreft, wordt alleen het cijfer voor 2025 gerapporteerd. Het is echter wel de ambitie om volgende jaren het rapportagejaar in combinatie met het voorgaande jaar weer te geven
De berekening volgt de methodiek van Zorginstituut Nederland en wordt uitgevoerd in de volgende stappen:
-
Verzameling van de data: gebruik van de maandrapportages van het Zorginstituut;
-
Berekening van de maatstaf: weergave van de cijfers per zorgkantoor en landelijk totaal.